Natuurbeschermingswet vergunningen op losse schroeven: Nederlands stikstofbeleid deugt niet

Het Europese Hof deed op 7 november 2018 uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Volgens het Hof mogen vergunningen alleen maar afgegeven worden als wetenschappelijk vaststaat dat de activiteiten geen grotere milieuschade opleveren. Door dit arrest staat het verlenen van vergunningen in het kader van de Natuurbeschermingswet op losse schroeven, nieuwe meldingen waren op dat moment helemaal niet meer mogelijk. Inmiddels is deze situatie wat genuanceerd.

In afwachting van het definitieve oordeel van de Raad van State blijven de PAS-partners wel terughoudend met het uitgeven van ontwikkelingsruimte. Daarom wordt de resterende eventuele 40% vrije ontwikkelingsruimte vooralsnog niet beschikbaar gesteld. Dat betekent dat voorlopig alleen in die gebieden waar nog een deel van de reeds beschikbaar gestelde 60% vrije ontwikkelingsruimte over is, vergunningen kunnen worden verleend.

Bent u een bedrijf met een relatief hoge stikstof (NOx en/of ammoniak) uitstoot dan kan dit consequenties hebben. Het betreft bedrijven met grotere stookinstallatie, veel (interne) transportbewegingen, composteerinrichtingen of processen waarbij sprake is van stikstofemissie.

Inmiddels is de uitspraak van het Europese Hof bestudeerd. Conclusie is “PAS-uitvoering kan door na uitspraak Europese Hof van Justitie”. Op 15 november jl. hebben de betrokken overheden – gedeputeerde staten van provincies en de ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en van Infrastructuur en Waterstaat – met elkaar vastgesteld dat de toestemmingsverlening kan worden voortgezet. Dat is in principe goed nieuws.

Wel is men voorlopig terughoudend met uitgifte van de “vrije ontwikkelingsruimte”. Dit betreft de ontwikkelingsruimte die beschikbaar is voor projecten met een depositie toename (tov van de feitelijke situatie) hoger dan de grenswaarde. Indien er nog sprake is van meer dan 40% “vrije ontwikkelingsruimte” dan kan men daar nog aanspraak op maken. De “reserve” van 40% “vrije ontwikkelingsruimte” wordt (voorlopig) niet uitgegeven.

Bijkomende uitdaging is dat voor een groot aantal gebieden (met name in het zuiden van het land) de grenswaarde is verlaagd van 1 mol N/hectare/jaar naar 0,051 mol N/hectare/jaar. Voor dergelijke gebieden is, bij een kleine (toename aan) N-emissie als gevolg van het project, al sprake is van een procedure vergunning aanvraag Natuurbescherming.

Volgende vraag is dan of er sprake is van >40% “vrije ontwikkelingsruimte” voor de van toepassing zijnde PAS-gebieden. Is dit niet het geval dan is het toekennen (en dus het accepteren van een melding of verlenen van een vergunning) van “vrije ontwikkelingsruimte” niet mogelijk.

Van belang om te weten is dat de ontwikkelingsruimte wordt gevraagd op basis van het “feitelijk gebruik in de periode 2012-2014”. De depositie van het feitelijk gebruik maakt onderdeel uit van de achtergronddepositie waarmee AERIUS heeft gerekend en die is meegenomen in de passende beoordeling die voor het Programma aanpak stikstof is opgesteld. De maximale stikstofemissie in een van de jaren in deze periode is de basis. De beoogde/gevraagde toename ten opzichte hiervan betreft het zogenaamde “projecteffect”. In het geval van een “projecteffect” <0,051 mol N/ha/j dan zal het project vergunningsvrij zijn. Bij een “projecteffect” van  ≥0,051 mol N/ha/j maar < grenswaarde voor het PAS relevante gebied dan is er sprake van een meldingsplicht. In het geval een “projecteffect” ≥grenswaarde voor het PAS relevante gebied is er sprake van vergunningplichtig.

In geval van een project waarbij sprake is van een meld- of vergunningplicht wordt formeel gevraagd naar “vrije ontwikkelingsruimte”. Duidelijk is dat deze dan wel beschikbaar moet zijn. U kunt zich voorstellen dat het daarom heel belangrijk is dat het verschil tussen het “feitelijk gebruik in de periode 2012-2014” en de beoogde (toekomst) situatie goed wordt gemotiveerd. Juist dan kan er toch sprake kan zijn van uitbreiding van activiteiten ondanks het probleem dat er geen sprake meer is van “vrije ontwikkelingsruimte”. Een paar voorbeelden om uitbreiding toch mogelijk te kunnen maken:

  • Schonere transportmiddelen met minder stikstof emissie tov van 2012-2014;
  • Emissiepunten voorzien van N-emissie reducerende luchtbehandeling apparatuur;
  • Afdekken/inpandig uitvoeren van N-emissie relevante emissiebronnen;
  • Procesaanpassingen waardoor verminderde N-emissie etc.

In principe moet bij elke aanvraag omgevingsvergunning “uitgebreide” procedure (dus oprichting, verandering en revisie onderdeel milieu) getoetst worden (als onderdeel van de “voortoets natuurbeschermingswet”) of er sprake is van het overschrijden van de grenswaarde aan N-depositie voor de berokken PAS-gebieden. In eerste instantie wordt het beoogde gebruik getoetst (dus niet gekeken naar het projectverschil). Bij een overschrijding van de grenswaarde dan zal bij bestaande inrichtingen een projectverschil moeten worden vastgesteld, dus het verschil tussen het “feitelijk gebruik in de periode 2012-2014” en de beoogde (toekomst) situatie.

Bent u een bedrijf dat tot de doelgroep behoort en wilt u meer informatie of heeft u vragen over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met onze specialist Ron Klaassen (e-mail: Ron@reijngoudafval.nl of telefoon: 040 – 289 56 46).

Andere nieuwsberichten
Neem contact op

Niet leesbaar? Verander tekst. captcha txt