Aanvraag vergunning Wet Natuurbescherming

Naast de verzuring/vermesting door de depositie van stikstof als gevolg van NH3 en NOx emissie de belangrijkste storende factor voor natuurbeschermingsgebieden is, zijn er nog meer verstoringsfactoren. Te denken valt, voor de industrie belangrijke, aspecten als licht, geluid/trilling, (grond)waterontrekking/verdroging. Ligt uw locatie in of in de (zeer) nabije omgeving van een beschermd natuurgebied dan kunnen ook deze aspecten een reden zijn om een aanvraag natuurbeschermingswet te moeten starten.

Om vast te stellen of er sprake is van een andere verstoringsfactor zal leiden tot het wel of niet moeten aanvragen van een vergunning Wet natuurbescherming zal een voortoets uitgevoerd moeten worden waaruit zal blijken of er kans is op (significante) negatieve effecten. In geval van geen significante negatieve effecten behoeft verder geen procedure aanvraag vergunning natuurbeschermingswet te worden gestart. Maar:

  • Als uit de voortoets blijkt dat er kans is op een niet-significant maar wel een negatief effect moet een habitat-/verslechteringstoets worden uitgevoerd.
  • Als uit de voortoets blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet een habitattoets/passende beoordeling worden uitgevoerd.
  • Als bevoegd gezag op basis van de habitattoets/passende beoordeling oordeelt dat nog kans is op significant negatief effect dan dient een ADC toets te worden uitgevoerd.

Reijngoud heeft de expertise om bovengenoemde toetsen voorafgaand en bij aanvragen van een vergunning natuurbeschermingswet uit te voeren. Ook in deze gevallen moet er sprake zijn van een verslechtering ten opzichte van een referentie. Ook hier is het dus belangrijk om vast te stellen wat de vergunde situatie (dus niet de feitelijke) op de referentiedatum van het betreffende natuurgebied was. Dit is dan altijd het vertrekpunt om te bepalen of er sprake is van een verslechtering.

Neem contact op

Niet leesbaar? Verander tekst. captcha txt